Terug naar Nieuws

Het graf van de familie Trouw op Maria Rust

 

Dit jaar, op 19 juni 2013, is het honderd jaar geleden dat Jacob Trouw overleed. Rond 1910 maakte Trouw een begin met de exploitatie van de geneeskrachtige modder van het Meertje de Waal in Rockanje. In de jaren 1912-1921 kwamen er talloze badgasten naar het dorp om een heilzaam modderbad te nemen, in de voormalige boerderij Walesteyn aan de Vleerdamsedijk. Later zou Walesteyn het rustoord Vredeheim worden, op de plek waar nu residentie Walesteyn staat. Jacob Trouw werd begraven op Maria Rust, de oude begraafplaats aan de Zeeweg in Rockanje. De plek waar hij begraven is, kunnen we nog steeds bezoeken: het is grafnummer 5, links achterin. Op dit familiegraf staat een merkwaardige zuil. Dankzij zijn nabestaanden, die het grafmonument keurig onderhouden, is het ook nog in 2013 te bewonderen. Maar wat is dit monument precies, wat stelt het voor? En wie liggen er eigenlijk begraven?

 

De barones

Al in 1887 bezat Jacob Trouw het Meertje de Waal. Hij werd later ook eigenaar van de molen in Rockanje, die hij in 1909 van zijn tante erfde. In 1904 kocht hij de oude boerderij Walesteyn (1697), aan de Vleerdamsedijk in Rockanje bij het Meertje de Waal. Als lid van de gemeenteraad, als wethouder en in allerlei andere maatschappelijke functies heeft hij veel gedaan voor het dorp en zijn inwoners.

Afbeelding vergroten

Graf Zuil familie Trouw

 

Jacob Trouw werd begraven bij zijn tante Lideweij Trouw (1820-1907), haar man Cornelis Verhey (1821-1875) en haar ouders: Jacob Trouw (1790-1871) en Hester Spoon (1793-1869). Cornelis Verhey was burgemeester van Nieuwenhoorn en ook Jacob Trouw was een bekende figuur in het maatschappelijk leven op westelijk Voorne. Volgens de Nieuwe Brielsche Courant van 9 augustus 1907 was zijn tante eveneens een bijzonder iemand die zich actief bemoeide met het wel en wee van de dorpelingen in Rockanje: ‘[…] dat daardoor haar gastvrije woning en prachtigen tuin het altijd aantrekkelijk centrum in deze gemeente was voor tal van predikanten, onderwijzers, voor al wat behoefte had nu en dan eens af te schudden den gewonen sleurgang, en hoe Mevrouw Verhei dan altijd ons was de vriendelijke, attentievolle onvergetelijke gastvrouw; bloemen immer strooiende op ons vaak doornig pad, liefde wevend in het vaak harde lot.
 

Afbeelding vergroten

En behoeftigen en lijdenden uit dorp en duinen, die aan klopten aan haar goed hart, zij klopten aan geen doovenmansdeur. […] en waar geven geen behoefte was, slechts leenen tot aankoop van huis of tuingrond of vee, ook daar hielp zij en zoo kiesch.

Zoo toonde zij zich jaren lang aan onze gemeente een Trouw en Verhei te zamen, twee namen, die de edelste karaktertrekken in het Brielsche land in het geheugen roepen.’

Ik citeer deze persoonsbeschrijving zo uitgebreid omdat die volgens mij duidelijk maakt door wie onderwijzer, journalist en schrijver Leendert Goudswaard (1853-1932) werd geïnspireerd toen hij zijn novelle De barones van Walestein schreef, die in 1891 bij de Haarlemse uitgever J. Spoon verscheen. In zijn barones eert Goudswaard karakter en persoon van de tante van Jacob Trouw, Lideweij Trouw: een gastvrije, sociaal betrokken vrouw die brave maar arme dorpelingen meermalen financieel en anderszins ondersteunde. Zij woonde aan de Molendijk.

Lideweij Verhey-Trouw, 1820-1907. (Foto: Collectie Wim van Hoey Smith.)


Grafzuil

De familie Trouw behoorde tot de notabelen en dat is ook aan het grafmonument te zien: een opvallende grafzuil van ruim 280 cm hoog, 93 cm in het vierkant. Een zuil mogen we het eigenlijk niet noemen, want het is feitelijk geen ronde kolom maar een stèle: een staande plaat – die in dit geval wel erg vierkant is… Bovenop staat er op elke hoek een versiering: dat is een akroterion, ook vaak een onderdeel van klassieke tempels. Zo’n akroterion gaat terug op Grieks/Romeinse voorbeelden (zie het mausoleum van Halikarnassos). Middenop staat de bekroning van de zuil: een plantachtig ornament.

De stijl van dit grafmonument is wellicht het beste te typeren als neogotisch, als we afgaan op de randversiering aan de bovenzijde van de zuil, een soort gestileerde fries. Met de term ‘neogotiek’ wordt de stroming in de negentiende-eeuwse architectuur aangeduid die teruggrijpt op de middeleeuwse gotiek, uit een romantische belangstelling voor de Middeleeuwen. Eind negentiende eeuw combineerde men wel vaker klassieke vormen en (neo)gotische elementen. De opbouw heeft een renaissancistisch karakter: het basement is strak en eenvoudig, maar naar boven toe neemt de versiering toe.

Op het grafmonument staan de namen van de personen die er begraven zijn. Eerst werden die nog gebeiteld in fraaie Gotische letters, maar de letters van de personen die later begraven werden, zijn strakker uitgevoerd.

 

Tekening  Familiegraf Trouw, nummer 5 op Maria Rust.


Volgens steenhouwer Marc de Groot is het grafmonument gehakt uit Bentheimer steen, een grofkorrelig soort zandsteen. Deze steensoort heeft in principe een geelbruine kleur, die door de verwering in de loop der tijd steeds donkerder wordt. Bentheimer zandsteen kwam uit steengroeves in Bentheim en Gildehaus (Duitsland) en is veel gebruikt voor de bouw van kerken en paleizen, zoals het Paleis op de Dam, in Amsterdam. Het materiaal heeft een gelijkmatige, strakke structuur, maar is minder duurzaam dan bijvoorbeeld Belgisch hardsteen.

 

Symboliek

De vier blaadjes op de bovenste hoeken (de akroteria) zijn klein, maar toch opvallend. Het zouden acanthusblaadjes kunnen zijn, maar heel duidelijk is dat niet. De acanthus komt vaker op grafmonumenten voor en is het symbool van de onsterfelijkheid. In de vijfde eeuw voor Christus kwam het acanthusblad al in de funeraire architectuur van de oude Grieken voor. De bladeren zijn voorzien van doorns en werden gebruikt als symbool voor de stekelige reis van leven naar dood, en (binnen christelijke opvattingen) voor de ultieme overwinning van het eeuwige leven op de dood. De acanthus op een graf moet laten zien dat de overledene de vervloeking van Adam (zie Genesis 3, vers 17-18) overwonnen heeft (Keister 2004, pp. 41-42.) Er wordt een zachte of een harde acanthus (Acantha mollis L. en Acanthus spinosa L.) afgebeeld, waardoor het blad – als het om karaktertrekken van personen gaat – zowel voor de zachtmoedigheid als het doorzettingsvermogen van de overledene kan staan (De Cleene 2008, pp. 42-43.)

Het acanthusblad kan allerlei vormen aannemen, zoals Hamlin laat zien in A history of ornament. In dat boek staan op p. 213 en 216 varianten die wel iets hebben van de blaadjes op het graf van Trouw. De vorm van het blad lijkt misschien nog het meest op een Laat-Romaanse variant. , zie bijvoorbeeld http://etc.usf.edu/clipart/10400/10401/acanthus_10401. htm).

 

 

[Foto 2.] Bovenop: kruisbloem (Haslinghuis & Janse, 2001, p. 280).

 

 

Ornament

Verbazing wekt de bekroning van de zuil: een plantachtig ornament, samengesteld uit vier grote bladeren, met middenin een soort stamper. Bij nader inzien gaat het om iets wat we ook tegenkomen op, bijvoorbeeld, de Utrechts en Keulse Dom.

Het is een ornament in de vorm van een omgekruld blad, gotisch van stijl, en wordt hogel genoemd. Dit ornament siert vaak de pinakels of daklijsten van grote gebouwen. Pinakels zijn spitse torentjes die, bijvoorbeeld, op de steunberen van de Utrechtse Dom staan. Ze accentueren het verticalisme in de gotische bouwstijl: veel verticale elementen verwijzen naar omhoog, naar het hogere. Op de tekening is te zien waar het om gaat: de pinakel loopt spits toe, de hogels zijn aan de zijkant bevestigd, waarbij de pinakel wordt bekroond door vier of zes hogels, die samen een kruisbloem vormen.

Dat is de dezelfde soort kruisbloem die ook de grafzuil van de familie Trouw bekroont. De royale bladeren verwijzen volgens Terlingen en Engelbrecht in hun boek over de Utrechtse Dom naar de groeikracht van het (hemel)water. Dat is niet vreemd omdat het enorme dak van zo’n dom natuurlijk heel veel regen (het symbool van de Verlosser) opvangt, dat afgevoerd wordt via talloze goten en waterspuwers (gebeeldhouwde monsters, aan de buitenkant van de dom, die als het ware het water uit hun muil spuwen). Zo komt het op de grond en zorgt ervoor dat de aarde vrucht kan dragen: planten groeien en bloeien dankzij het overvloedige regenwater. De weelderige plantengroei zien we op de dom terug in allerlei omhoog strevende blad- en bloeivormen, waaronder ook de kruisbloemen. Zo’n bloem verwijst naar het leven dat groeit uit het Kruis(hout), als christelijk teken van de hoop en van de overwinning op de dood: de verlosser Jezus Christus stierf aan het Kruis, maar overwon de dood. Daarmee – maar dat terzijde – zien Terlingen en Engelbrecht in de buitenkant van de Utrechtse domkerk ook de uitbeelding van de adventsliturgie (zie met name Jesaja 45:8): de buitenkant verbeeldt de roep naar het levenbrengende water, met de levenbrengende kracht van de Verlosser.

 

Anders dan op het dak van de Utrechtse Dom, dat flink wat regenwater moet afvoeren, is de verwijzing naar het levenbrengende water op een begraafplaats niet zo doeltreffend, lijkt het. De gedachte achter de kruisbloem is op Maria Rust daarentegen des te sprekender: het leven na de dood, de overwinning op de dood houdt de nabestaanden immers bij uitstek bezig.

 

[Foto 3.] Opbouw pinakel (Haslinghuis & Janse, 2001, p. 353).

 

 

Maker onbekend

Over de oorsprong van het grafmonument tast de werkgroep Maria Rust helaas in het duister (zie www.begraafplaatsmariarust.nl). De toepassing is eigenaardig: er is een element van een gotische kerk op een graf gezet. Onbekend is ook wie dit grafteken heeft ontworpen en gemaakt. Hoe dan ook, nu is het de hoogste grafmonument op Maria Rust.
 

Afbeelding vergroten

 

Tekening van het hele grafmonument (Studio Architecture, Middelharnis.)

 Literatuur

 

- Marcel De Cleene, De plantencode. De betekenis van kruiden, struiken en bomen in de Europese volkscultuur. Leuven:
  Davidsfonds 2008.

- Marcel De Cleene en Marie Claire Lejeune, Compendium van rituele planten in Europa. 4e dr. Gent: Mens & Cultuur,
  2008, pp. 94-98.

- Hanneke van Dijk, De eeuwige tuin. Beplanting op graven en begraafplaatsen. Warnsveld: Terra, 2004, pp. 46-68.

- H. van der Graaf, Rockanje allerhande. De families Vlielander, Hein en Vlielander-Hein in hun relaties met Rockanje.
  Alphen aan den Rijn: Canaletto/Repro-Holland, pp. 79-105.

- A.D.F. Hamlin, A history of ornament. New York: The Century Company, 1916. [Repr. New York: Cooper Square Publishers,
  1973.]

- E.J. Haslinghuis en H. Janse, Bouwkundige termen. Verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie. 4e,
  geh. opn. bew. en verm. dr. Leiden: Primavera Pers, 2001.

- Douglas Keister, Stories in Stone. A field guide to cemetery symbolism and iconography. Salt Lake City: Gibbs Smith, 2004.

- Ben Langendoen, ‘De molen van Rockanje (deel 2)’, in: Struinen 26 (2012) 2, pp. 44-49.

- J.B.A. Terlingen en G.J.M. Engelbregt, De Dom in Utrecht. Symboliek in steen. Utrecht: Matrijs, 2004. Historische Reeks Utrecht
  33.

- Ada Wille, ‘Funeraire flora biedt volop mogelijkheden tot fraaie symboliek’, zie
  ook:
http://www.dodenakkers.nl/symboliek/flora.html.

- G.H. Wissink, ‘De vergane glorie van de Bentheimer zandsteen’, in: VORG. Verslagen en mededelingen 86 (1971), 6 pp.
  Zie: http://www.historischcentrumoverijssel.nl.