naar Nieuws


Het graf van twee Belgische drenkelingen

Artikel in Struinen  2009, (23), nr. 2, pp. 8-17.
Zie ook A.J. Beierens: Vlucht naar Penzance. Verhalen van Vlaamse vissersfamilies in de Tweede Wereldoorlog. Zeebrugge: Unibook, 2010,

Meta Snijders

Als u begraafplaats Maria Rust bezoekt, ziet u bij het naderen van de graven van de geallieerde oorlogsslachtoffers eerst nog twee opvallende graftekens. Tussen alle stenen grafmonumenten vallen ze op door hun eenvoud: een paar lage houten borden. Een van die borden markeert het graf van twee Vlaamse vissermannen: Albertus Joseph Beirens en Leopoldus Cattellion. Waarom liggen ze bij elkaar in een graf?

Albert Joseph Beirens

Afbeelding vergroten

In april 2003 ontving de Historische Vereniging Westelijk Voorne een brief van de heer A.J. Beirens uit Zeebrugge. Hij doet onderzoek naar de geschiedenis van zijn familie en is daarvoor op zoek naar gegevens over zijn grootvader, die hij nooit gekend heeft. Grootvader Albert Joseph Beirens was een van de vissers die in oktober 1945 op de stranden van Rockanje en Oostvoorne zijn aangespoeld. De afgelopen jaren wisselde de werkgroep Maria Rust gegevens uit met de heer Beirens, die in die periode werkte aan een boek over de geschiedenis van zijn familie, Vlucht naar Penzance, dat inmiddels is verschenen. Dankzij de heer Beirens kwamen wij het verhaal te weten van zijn grootvader, die op begraafplaats Maria Rust begraven ligt.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vluchtten honderden Belgische vissers met hun gezinnen naar Engeland. Tijdens de oorlog visten ze voornamelijk vanuit Newlyn en Penzance (Cornwall), zeer gevaarlijk werk waarbij 24 schepen tot zinken werden gebracht en 59 vissers omkwamen. De Vlaamse vissers speelden een belangrijke rol bij de voedselbevoorrading tijdens de oorlog en door hun contacten met plaatselijke vissers ontstond er na de oorlog in Cornwall een grote kottervloot die voor meer welstand zorgde. Na de oorlog keerden de Vlaamse vissers – die vaak met familieleden samen op één schip voeren –  terug naar hun thuishavens: Heist, Zeebrugge, Blankenberg en Oostende. Zo ook grootvader Beirens. Met andere vissers uit zijn familie had hij het geluk de oorlog overleefd te hebben. Helaas sloeg voor hen het noodlot vlak na het tot stand komen van de vrede alsnog toe.

Zeebrugge 5

Het was zondag 21 oktober 1945 toen de Zeebrugge 5 'Yvonne Maurice' de thuishaven verliet. Aan boord waren schipper Victor Vantorre, zijn zoon scheepsjongen Jozef Vantorre, motorist Gustaaf Savels en de matrozen Albert Neyts en Albert Beirens. Omdat veel inwoners van Heist de achternaam Vantorre hadden, werden de meeste mensen aangeduid met een bijnaam. De schoonvader van Albert Beirens was ook een Vantorre, maar werd in de wandeling Pol Mussche genoemd. Zo werd Alberts vrouw: Louise van Pol Mussche. Bekenden noemden Albert Beirens ook wel Berten. Zoals in iedere vissersplaats waren ook in Heist de inwoners nauw met elkaar verbonden, zowel door ingewikkelde familieverbanden als door collegiale verhoudingen.

Afbeelding vergroten

Zeebrugge 5 Yvonne Maurice

Het schip zou op de visgronden van Schouwen de netten uitwerpen. Volgens reder Rammeloo was er voldoende brandstof aan boord voor een reis van negen dagen. Het was echter de bedoeling dat het schip de volgende zondag alweer zou binnenlopen, zodat maandag 29 oktober de vis naar de markt kon worden gebracht. Op dinsdag 30 oktober was er echter nog steeds geen nieuws van de bemanning. Bij de familieleden begon de ongerustheid te groeien, temeer daar op 25 en 26 oktober een zware storm had gewoed op de Noordzee. Louise had haar nog ongetrouwde zoon Maurice gevraagd om op de duinen te gaan kijken of hij het vaartuig zag binnenkomen. Allerheiligen kwam en nog steeds was er geen nieuws over de vijf. Met Allerzielen voelde Louise dat er geen hoop meer was. “Ge moet maar niet meer gaan kijken”, zei ze tegen Maurice.

 

De volgende dag, zaterdag 3 november, kreeg de waterschout in Oostende bericht van zijn collega uit Nieuw-Hellevoet dat er op het eiland Voorne twee lijken van Belgische vissers waren aangespoeld en ook het naambord 'Yvonne Maurice'. Aan de hand van een aantal meegestuurde foto’s konden de lijken door familieleden geïdentificeerd worden als matroos Albert Neyts en scheepsjongen Joseph Vantorre. Uit de lijkschouwingen bleek dat beide vissers door verdrinking om het leven waren gekomen. De stoffelijke overschotten vertoonden immers geen kwetsuren die konden wijzen op een ontploffing van een mijn. Later spoelden ook de lijken van schipper Victor Vantorre en motorist Gustaaf Savels aan op het strand van Oostvoorne. Over wat met de opvarende Albert Beirens gebeurd was, vernamen de Heistenaars voorlopig niets.

Afbeelding vergroten

Bemanning Zeebrugge 5 Yvonne Maurice


Waar is Berten?

Het lichaam van Berten (Albert Beirens) was ook naar de kust afgedreven. Het spoelde op zaterdag 27 oktober aan op het strand van Rockanje, ongeveer vijf kilometer van de plaats waar de andere vissers gevonden werden. Op 29 oktober werd Albert Beirens begraven op de begraafplaats van Rockanje, zonder dat de autoriteiten wisten wie hij was. De waarnemend burgemeester van Rockanje had namelijk een probleem met de te volgen procedure. Op dinsdag, de dag na de lijkschouwing en de begrafenis, stuurde hij de consuls van Groot-Brittannië en van België een brief met het signalement van het aangespoelde lijk. In Bertens broekzak had men niet alleen Belgisch geld aangetroffen, maar ook de metalen medaille die de pastoor in Penzance aan de vissers had gegeven. Vanwege het opschrift “I am a Catholic, in case of accident notify a priest” en het feit dat alle kleren van Engelse makelij waren, hield de burgemeester ook rekening met de mogelijkheid dat het om een Engelse visser ging.

In de brieven aan de beide consulaten schrijft de waarnemend burgemeester: “Aangezien mij geen voorschriften bekend zijn welke instanties met een dergelijk feit op de hoogte dienen te worden gebracht, wil ik U beleefd verzoeken mij te willen berichten hoe in voorkomende gevallen moet worden gehandeld teneinde de zekerheid te verkrijgen, dat alles in het werk wordt gesteld dit stoffelijk overschot te identificeren.” Het feit dat voor de kust een vissersvaartuig was vergaan en dat in de buurgemeente Oostvoorne vier Belgische vissers waren aangespoeld, was in Rockanje blijkbaar niet bekend. De Rockanjenaren konden over dit ongeluk ook niet lezen in de krant, want de Nieuwe Brielsche Courant werd van half april 1945 tot medio 1946 niet uitgegeven.

De Belgische consul in Rotterdam stelde op 5 november Buitenlandse Zaken in Brussel op de hoogte. Toen het bericht over de onbekende visserman die in Rockanje was aangespoeld eind november 1945 bij het Waterschoutambt in Oostende aankwam, legde men niet meer het verband met het vergaan van de Zeebrugge 5. Berten was officieel nog steeds vermist. Voor Louise en haar gezin bleef de onzekerheid aanhouden.

Berten gevonden

Op 7 januari 1946 had de minister van Buitenlandse Zaken van België, Paul-Henri Spaak, bij het Zeewezen navraag gedaan hoe het stond met de identificatie van de mogelijk Belgische visser die in Rockanje was aangespoeld. Rond die tijd verscheen ook het signalement dat in Nederland was opgesteld in een Vlaams visserijblad. Familieleden van Mussche waren erop geabonneerd. Clara Mussche, die het bericht als eerste onder ogen kreeg, zag meteen dat het om Berten ging. Ze snelde met het blad naar Louise en las haastig een paar fragmenten voor: “... grote oren, een kale schedel met van achter vrij lang donker bruin haar...” Ook het feit dat alle kledingstukken als nieuw waren, klopte. Helemaal zeker was Louise toen ze hoorde dat de man een Mariabeeldje bij zich droeg met het opschrift “SIR Oostacker” en een soldatengroene geldbeugel met drukknop. Dat portemonneetje had Bertens schoonzuster in Penzance nog voor hem gemaakt uit een stukje zeildoek, waaruit ze tijdens de oorlog parachutezakken en hoezen voor gasmaskers stikte.

In Oostende werd de waterschout gemeld dat de familie het aangespoelde lijk in Rockanje had herkend als Albert Beirens. De minister werd op 16 februari 1946 op de hoogte gesteld. Pas op 20 maart ontving het gemeentebestuur van Rockanje de bevestiging van het Belgische consulaat in Rotterdam. In Rockanje was voor de onbekende visser geen akte van overlijden opgesteld. De Officier van Justitie bij de Arrondissementsrechtbank in Rotterdam had namelijk laten weten dat van aangespoelde lijken geen overlijdensakte kon worden opgemaakt. Wel zond de burgemeester van Rockanje afschriften van alle terzake opgemaakte processen-verbaal naar de Belgische autoriteiten, zodat die eind april 1946 alsnog een overlijdensakte konden opstellen. Pas toen was Louise officieel weduwe. In dezelfde maand wordt de naam van haar man aangebracht op het houten gedenkteken dat geplaatst wordt op zijn graf, dat hij met een andere drenkeling deelt. Deze was in Rockanje aangespoeld op 29 september 1945 en bleek later ook een Belgische visser te zijn: Leopold Cattellion.

Op zoek naar het graf

In 1977 besluit een kleinzoon van Albert Beirens op zoek te gaan naar het graf van zijn grootvader. De familie weet dan alleen nog dat de bemanningsleden ‘ergens’ op het eiland Voorne begraven liggen. De kleinzoon bezoekt alle begraafplaatsen van Voorne. In Oostvoorne vindt hij het gezamenlijk graf van Victor Vantorre, Jozef Vantorre, Gustaaf Savels en Albert Neyts. Daarna bezoekt hij begraafplaats Maria Rust en meteen ontdekt hij het grafkruisje van zijn grootvader. Later neemt hij zijn – dan al dementerende – grootmoeder mee naar het graf van haar man. Als ze daar aankomt heeft ze een helder moment en zegt in haar Heists dialect: “Wel Berten toch, dat je hier zoe verre ligt!” Sedert die tijd probeert de kleinzoon elk jaar het graf van zijn grootvader te bezoeken. Het graf van de andere bemanningsleden kan hij niet meer vinden, omdat op de begraafplaats van Oostvoorne het gedenkteken op dat graf inmiddels verwijderd is...

 Leopold Cattellion



Leopold Cattellion

Lang nadat de vrede getekend was, vielen er op zee nog oorlogsslachtoffers. Op 7 september 1945 verliet de Z126 René de haven van Oostende voor een vierdaagse reis ter visserij op de Noordzee op ongeveer twintig à dertig mijl uit de kust. Toen het vaartuig op 11 september 1945 de thuishaven nog niet had bereikt, begon de familie aan de wal zich zorgen te maken. Die dag trof de Z106 Sea Gull op twintig mijl ten noorden van Zeebrugge drijvende bennen aan met het nummer Z126 erop geschilderd. Die avond pikte de bemanning ook een stoffelijk overschot op, omgord door een reddingsgordel – een matroos van de Z126. Louis Savels, schipper van een ander schip uit Zeebrugge dat in die omgeving aan het vissen was, had die morgen rond half zeven in de verte een ontploffing gehoord. Omdat hij niets gezien had, was hij gewoon doorgegaan met vissen. Gezien de positie waar de Z106 de manden en het stoffelijk overschot had aangetroffen en de plaatsbepaling door schipper Savels, kon er geen twijfel meer over bestaan dat de Z126 daar op 11 september 1945 door een mijnontploffing was vergaan.

Alle vijf bemanningsleden kwamen om het leven. De schipper en de scheepsjongen – nog maar vijftien jaar oud – spoelden aan op de Belgische kust, het lichaam van de motorist werd nooit gevonden. Het lichaam van Leopold Cattellion werd door de stroming noordwaarts gestuwd. Weken later, op zaterdagmiddag 29 september 1945, spoelde hij aan op het strand van Rockanje, ter hoogte van verdedigingsstelling 44, tussen paal 8 en 9. 

Dit vermeldde waarnemend commandant Van Lent van het nabijgelegen legerkamp Beatrix in zijn verslag over de vondst van het lijk. Op 30 september werd het stoffelijk overschot van Leopold Cattellion – verongelukt op 55-jarige leeftijd –  begraven op begraafplaats Maria Rust in Rockanje. In dit graf werd een maand later, op 29 oktober, het lichaam van zijn landgenoot en collega visserman Albert Beirens bijgezet. Waarschijnlijk kregen ze hetzelfde graf toebedeeld, omdat ze vlak na elkaar aanspoelden en bij de teraardebestelling hun namen nog onbekend waren. Pas na hun beider identificatie – in april 1946 – krijgen ze op hun graf een houten bord waarop hun namen geschreven staan. Waarschijnlijk kwamen de kosten van het grafteken ten laste van de gemeente Rockanje en is daarom gekozen voor een houten bord in plaats van een grafsteen. Vlak na de oorlog was bouwmateriaal, waaronder natuursteen, schaars en daardoor zeer prijzig. Bovendien hield de gemeente er vast rekening mee dat het hier om een tijdelijk graf zou gaan; misschien zouden de nabestaanden de drenkelingen immers in hun eigen woonplaats willen laten begraven. Maar de kosten voor een dergelijke operatie konden vissersweduwen in de praktijk zelden betalen en dat zal de reden zijn dat de beide mannen nog steeds in Rockanje begraven liggen. Hun sterfdatum is nooit op het bord aangebracht; de datum die we daarop lezen, is de dag dat Cattellion aanspoelde op het strand van Rockanje. Cattellions naam vinden we ook nog terug op een ander gedenkteken: de herdenkingszuil voor gebleven vissers in Oostende. De namenlijst op deze zuil is niet volledig en soms zijn de gegevens onjuist; zo staat de sterfdatum van Cattellion hier een dag te vroeg vermeld.

Afbeelding vergroten

Bemanningsleden Z126 René

Afbeelding vergroten

Bemanningsleden Z126 René

Op de oude begraafplaats Maria Rust stonden vroeger wel meer houten gedenktekens zoals het bord op het graf van Beirens en Cattellion. Op twee na hebben ze de tand des tijds niet kunnen doorstaan. Rest ons de vraag: hoe komt het dat die twee exemplaren wèl bewaard zijn gebleven?

Met dank aan:

De heer A.J. Beirens te Zeebrugge voor het beschikbaar stellen van zijn archiefmateriaal.

Mevrouw Alexandra Poldervaart en de heer Jan van de Voort, Visserij & Vlaardings Museum, en de heer Leon Bok, Stichting De Terebinth, voor hun tips en hulp.
 

Bronnen:

Gegevens en beeldmateriaal uit het archief van de heer A.J. Beirens te Zeebrugge.

Ronald Carly, 75 Jaar Onderzoeksraad voor de Zeevaart (Brugge 2002) pp. 112-113 en 118.
Website: http://archief.oostende.be/Verongelukte%20vissers/3111/default_archief.aspx?_vs=0_N&id=7993#