naar Nieuws

 

Bombardement van Brielle op 4 maart 1943


Op donderdagmorgen 4 maart 1943 vond er in Brielle een dramatische gebeurtenis plaats. Een groep van achtentwintig vliegtuigen naderde de stad. Ze werden hevig beschoten door afweergeschut, zodat men aannam dat het Engelse of Amerikaanse vliegtuigen moeten zijn geweest. Bij het overvliegen van Brielle werden vijf bommen afgeworpen, die alle explodeerden. Twee bommen kwamen terecht op de Ambachtsschool en de Meisjesvakschool, een in de Dijkstraat, een in de Langestraat en de vijfde in de haven langs het Slagveld. Er vielen ongeveer twintig doden onder wie een aantal kinderen. Sommige gewonden overleden later in het ziekenhuis. (Bron: SVPR Archief Gemeente Brielle, ‘Rapport over de bominslag op donderdag 4 maart 1943, opgesteld door het hoofd van de Brielsche Luchtbeschermingsdienst’.) Twee van de slachtoffers – leerlingen van de Meisjesvakschool –  liggen op Maria Rust begraven: Marie Juliana Stolk en Maaike van Rietschoten. In de
Nieuwe Brielsche Courant van 9 maart 1943 – die toen gecensureerd werd door de bezetter – verscheen het volgende bericht:


Bomaanval eischte vele dooden

Op 4 Maart even na 10 uur des ochtends viel een formatie Amerikaansche bommenwerpers plaatsen in het kustgebied in het Zuidwesten van Nederland aan. Op een school in het militair en oorlogseconomisch volkomen onbeteekenend plaatsje Brielle werden o.a. verscheidene brisantbommen neergeworpen. Hierdoor werden 17 Nederlandsche kinderen gedood, vijf kinderen zwaar gewond. Behalve de kinderen werden ook nog 1 vrouw gedood en twee zwaar gewond.
Deze terreuraanval werd uitgevoerd bij ’n zeer goed zicht, zoodat deze aanval niet op een vergissing kan berusten.
Voorts werden door maar lukraak op een andere plaats neergeworpen bommen van de Nederlandsche burgerbevolking 14 personen gedood, 24 zwaar en talrijke licht gewond.

Stabsleiter Sündermann, de plaatsvervanger van den perschef van de rijksregeering heeft naar aanleiding van den jongsten luchtaanval op Berlijn tegenover vertegenwoordigers van de buitenlandsche pers bijzonderheden besproken over de methoden van den luchtoorlog, zooals Engeland die toepast. Hij betoogde, aan de hand van de feiten, dat het Britsche luchtwapen (en sedertdien ook het Amerikaansche) heelemaal niet het doel heeft militaire objecten te treffen, maar er in de eerste plaats naar streeft burgers en cultureele goederen te vernielen. De luchtoorlog in dezen vorm is of 12 Februari 1940 met bommen op de onversterkte stad Westerland op Sylt. Eerst zes maanden later kwam de eerste Duitsche tegenaanval en eerst na zes aanvallen van de Engelschen op Berlijn, werd Londen door het Duitsche luchtwapen aangevallen.

Uit een heele reeks Engelsche persstemmen valt af te leiden, dat in de hoofden van de leidende Engelschen de gedachte is opgekomen de Duitsche burgerbevolking door luchtaanvallen te vernietigen. De bedoelde moreele uitwerking, waarvan deze Engelsche zelfs een beslissende keer in den oorlog verwachten, wordt echter, naar Sündermann uiteenzette, niet bereikt. Een vastberaden wil, zooals die overal in de door Engelsche bommen getroffen gebieden aan den dag treedt, doet het door de vijand gewenschte effect van deze aanvallen te niet. De bombardementsoorlog wekt bij het Duitsche volk de steeds krachtiger vastbeslotenheid om eens en voor altijd af te rekenen met degenen, die dezen vorm van oorlog hebben uitgedacht.

Wanneer men bedenkt, dat bij de laatste bomaanvallen op woonwijken van Neurenberg, Keulen en Berlijn 319 menschen, onder wie niet minder dan 100 vrouwen en 33 kinderen, gedood zijn, doch daarnaast 11 soldaten en 3 politiemannen vielen, dan blijkt duidelijk, dat bij deze aanval het doel niet geweest kan zijn bommen te werpen op militair belangrijke installaties. Hoe duur echter de “successen”, op de burgerlijke bevolking behaald, den Engelschen te staan zijn gekomen, blijkt uit hun verlies van 41 vliegtuigen met niet minder dan 280 man vliegend personeel.

De bezette gebieden weten daar sinds jaar en dag van mee te praten. De gruwelijkheid van deze soort oorlogvoering springt eens te meer in het oog, wanneer men in het bovenstaande communiqué leest, hoe in het kleine stadje Den Briel de bommen, bij helder zicht geworpen, geen ander resultaat hebben weten te bewerkstelligen dan den dood van een aantal schoolkinderen. Een wreede, zinnelooze dood, die zijn schrille vraagteeken zet achter het “waarom”, dat van elke oorlogshandeling rekenschap vraagt van verhouding en wanverhouding tusschen militair doel en burgerlijk leed.