naar Nieuws

De ondergang van de ‘Berlin’ 100 jaar geleden

Artikel in Struinen 2007 (21), nr. 1, pp. 17-29.
 

 Meta Snijders

 “Daar is aan onze kust een ramp gebeurd, schrikkelijk als maar zelden te voren, een ramp, die ontzetting heeft gewekt in heel de wereld en droefheid heeft gebracht in de harten van landgenoot en van vreemde.” Zo begint het verslag in de Wereldkroniek van 2 maart 1907 van de ‘Ramp van de Berlin’. De verslaggever beschrijft in dramatische bewoordingen hoe het stoomschip ‘Berlin’ op jammerlijke wijze voor de ogen van duizenden toeschouwers vergaat. De ramp werd voor veel ooggetuigen een traumatische ervaring. Kranten en tijdschriften stonden er vol van. Er werden boeken over geschreven en schilderijen en tekeningen van gemaakt. De gebeurtenis zette zich in het collectieve geheugen. Ook aan de bewoners van het eiland Voorne ging de ramp niet ongemerkt voorbij.

De ramp
Het is kwart over vijf in de ochtend van donderdag 21 februari als de veerboot ‘Berlin’ de haven van Hoek van Holland nadert. De nachtelijke overtocht vanuit Harwich zit er bijna op; de passagiers maken zich op om aan land te gaan. Er woedt een hevige noordnoordwesterstorm, windkracht elf, weersomstandigheden die het uiterste vragen van kapitein Precious. Hoewel eerder in de nacht twee schepen de haven niet durfden binnenlopen, besluit hij binnen te varen. Het schip van de Great Eastern Railway Company was in 1894 gebouwd en voer al twaalf jaar met de regelmaat van de klok tussen de spoorwegaansluitingen van Harwich en Hoek van Holland. Het had een afmeting van bijna 100 meter lengte en een breedte van 12 meter, mat 1750 ton en had een vermogen van 5000 PK, voldoende om met de twee schroeven tot een snelheid van ruim 16 knopen te komen. Vlak voor de kust slaat het noodlot toe. De ‘Berlin’ raakt plotseling uit de koers en komt dwars op de golven te liggen. Het schip klapt op de Noorderpier, waar het overdwars blijft liggen, de voorsteven aan de ene, de achtersteven aan de andere kant. Kapitein Jansen van reddingsboot ‘President van Heel’ wordt direct gewaarschuwd. Om half zeven zet hij met zijn stoomboot koers naar de gestrande ‘Berlin’.
 



 

Afbeelding vergroten

Het wrak van de Berlin op de pier.
Foto collectie Maritiem Museum Rotterdam via internet.
 

 

Moeizame reddingsacties
De bemanning beseft al snel dat het onmogelijk is om langszij het schip in nood te komen: het risico om zelf te pletter te slaan is te groot. Daarom vaart Jansen met een boog om de ‘Berlin’ heen en gooit hij op veilige afstand zijn anker uit. De mannen doen verwoede pogingen om een lijn aan de ‘Berlin’ te bevestigen. Tot driemaal toe mislukt dit, de vierde keer is het wel raak. Dan tilt een hoge golf de ‘President van Heel’ op. De reddingslijn schiet los en het anker breekt af. De redders moeten terug om een ander anker te halen. Met de dood voor ogen zien de passagiers dat de reddingsboot van ze wegvaart. Terwijl de ‘President van Heel’ een ander anker ophaalt, breekt de ‘Berlin’ in tweeën. Eén voor één verdwijnen de passagiers van de voorsteven in de golven. Als de reddingsboot even later terugkeert, drijven er al lijken in het water. Enkele personen worden nog levend opgevist; slechts één van hen blijft in leven. De reddingsboot blijft de hele donderdag in de buurt van de ‘Berlin’, maar kan niets uitrichten voor de passagiers die zich nog op de achtersteven bevinden. Vrijdagochtend om tien uur arriveert Prins Hendrik op de plaats van de ramp. Aan boord van het loods-instructieschip ‘Jan Spanjaard’ stoomt de Prins zo dicht mogelijk langs het wrak, waar hij enkele overlevenden ziet. ’s Middags gaat de Prins aan boord van de loodsboot ‘Hellevoetsluis’ opnieuw naar het wrak en tegelijkertijd gaat ook de reddingsboot weer uit, nu met een jol achter zich aan, waarin vier matrozen van het loodswezen. Deze vier weten op de pier te springen en vandaar met een lijn een verbinding te maken met de ‘Berlin’. Zo worden elf personen gered. Door opkomend tij moet men de pier verlaten, terwijl er nog drie vrouwen op het wrak zitten. Pas ‘s avonds kunnen zij bij een volgende reddingspoging van boord worden gehaald.
 

De slachtoffers
Nu de levenden zijn gered, gaat alle aandacht naar de doden. Ze worden zo snel mogelijk van het wrak gehaald. Dagenlang spoelen er nog lijken aan op het strand. Ze worden naar hun woonplaats teruggebracht of op het kerkhof van ’s-Gravenzande begraven. Maar niet alle doden worden in de buurt van het wrak gevonden. Ook op de stranden van Voorne spoelen slachtoffers aan. Zondagmorgen 24 februari krijgt veldwachter Visser van Rockanje het bericht dat er een lijk op het strand is aangespoeld. Vergezeld van wethouder Pieter Nieuwland gaat hij naar het strand en daar vinden ze het lichaam van een stewardess van de ‘Berlin’. In de loop van die dag spoelen er nog vier lichamen aan. In maart en april worden er nog steeds doden gevonden op het strand van Rockanje. Ook op het Oostvoornse strand en op zandplaten voor de kust worden de maanden na de ramp nog slachtoffers van de scheepsramp aangetroffen. In de overlijdensregisters wordt melding gemaakt van negen drenkelingen in Rockanje, vier in Oostvoorne en drie in Brielle. In de Brielsche Courant lezen de eilandbewoners tot in detail over deze lugubere vondsten: ‘Aan ons strand spoelden ll. Zondag 5 lijken aan: 1e een vrouwspersoon vermoedelijk hofmeesteres van de ‘Berlin’ ongeveer 26 jaar, lengte 1,6 M, blond haar bijna afgetrokken van den schedel, kunsttanden, gouden ring aan ringvinger en pink van de linkerhand, gekleed in jaquet met vergulden knoopen over een jaegerwolhemd, zwarte kousen, het onderlijf enkel in damesbroek; 2e een jongmensch bizonder aantrekkelijk uiterlijk, ongeschonden, lengte 1,7 M, haar blond, jaeger onderbroek en kamgaren bovenbroek.’ Zo wordt het lijstje verder afgewerkt met ondermeer nauwkeurige beschrijvingen van de fraaie tatoeages op de armen van ‘flink gebouwde kerels’ en een gapende wond in de linkerwang van ‘een bizonder zwaargebouwde naar gissing zestiger’. De lijken worden naar het baarhuisje gebracht, in het wit gehuld en door dokter Van der Sluys geschouwd, gekist en vervolgens vervoerd naar de plaats van bestemming. ‘Een en ander geeft groote ontroering in ons rustig dorp.’

Uit alles blijkt dat op het eiland Voorne nog lang werd gesproken over de ramp. Er is in de gemeente Westvoorne echter een plek waar de herinnering aan één van de slachtoffers vandaag de dag nog steeds zichtbaar aanwezig is. Die plek bevindt zich op de oude begraafplaats van Rockanje, ook wel genaamd ‘Maria Rust’. Het is het graf van Johannes Bronder.
 

Loods Bronder
 

Afbeelding vergroten

Johannes Bronder
Foto familiearchief Bronder
 

Bronder was het enige Nederlandse bemanningslid aan boord van de ‘Berlin’. Hij werd geboren in 1853 in Zwartewaal als jongste kind van Maarten Bronder en Hermina Necken. Zij hadden al eerder een zoon met die naam gehad, maar dat kindje was een maand na de geboorte al gestorven. Johannes begon als visser en trouwde in 1873 met Judith Brobbel. In 1877 trad hij als matroos in dienst bij het loodswezen van Goedereede. Na zeven jaar werd hij loods-adspirant en vervolgens loods 2e klas, loods 1e klas en ten slotte stoomloods. In deze functie voer hij voortdurend heen en weer tussen Harwich en Hoek van Holland. Hij woonde achtereenvolgens in Hellevoetsluis, Maassluis en Rotterdam.

Een ooggetuige meldde dat de loods samen met de kapitein op de brug stond en overboord sloeg vlak nadat het schip op de pier liep. Zijn lichaam spoelde pas op 10 maart aan op het strand van Rockanje. In het procesverbaal, opgemaakt door veldwachter Ary Visser en wethouder Pieter Nieuwland wordt hij beschreven: zijn haar en baard zijn grijs, zijn snor donker, aan zijn vest koperen ankerknopen met de tekst “Loodswezen” en zijn flanellen borstrok is gemerkt ‘J.B’.  Het lijk verkeerde nog niet in staat van ontbinding en kon makkelijk geïdentificeerd worden, ondermeer door de gemerkte knopen en borstrok.
 

Strandvonder Jacob Cornelis Looy vertelde in 1977 in een radio-interview hoe hij als zevenjarige jongen samen met zijn vader werd opgetrommeld door de toenmalige strandvonder Van Kampen om het lijk van het strand te halen en naar het baarhuisje op de begraafplaats te brengen. Zijn vader kreeg later als dank van de familie de overjas van de loods.

De begrafenis

Er wordt een telegram gestuurd naar de familie en op 12 maart komen de weduwe Judith Bronder met haar acht kinderen, broers, zwagers, vrienden en collega’s van het loodswezen naar Rockanje voor de begrafenis van Johannes. In de raadszaal wordt een afscheidsdienst gehouden. Daar voert dominee Datema, gereformeerd predikant te Delfshaven, het woord. Hij herinnert aan de verschrikkingen van de 21ste februari en spreekt een woord van troost tot de familie, in het bijzonder tot de weduwe, en van ‘lering en vermaan’ tot allen. Dan beginnen de klokken te luiden en gaat de stoet naar het kerkhof onder grote belangstelling van de dorpelingen, die in rijen langs de weg staan. Op het kerkhof gaat de stoet langs het baarhuisje, waar de geopende kist staat opgesteld. Een vriend schrijft later in de Brielse Courant: ‘Aangrijpend, niet te beschrijven was het ogenblik, toen de familie vergund werd nog een laatste blik te werpen op de geliefde dode, langzaam werd de kist gesloten, naar buiten gebracht en aan de kille schoot der aarde toevertrouwd.’ De verslaggever van De Geuzenbode: ‘Wat zal bij dien aanblik in het hart der weduwe en kinderen zijn omgegaan, bedenkende: vóór ongeveer drie weken gingt gij van ons naar Uw schip, nu zien wij U hier terug, ver van Uw huis – op den akker der dooden.’

De heer Sloot, loodscommissaris te Hellevoetsluis spreekt aan de groeve en prijst de overledene als ‘een alleszins waardig loods in zijn leven, dertig jaar ijver en bekwaamheid getoond hebbende op dien post.’ Daarna schetst de burgemeester van Rockanje, mr. Egter van Wissekerke, de overledene als een held die om zijn nauwgezetheid en plichtsbetrachting zijn leven liet in de golven. Vervolgens benadrukt dominee Datema dat hij de overledene had leren kennen als een voorbeeldig huisvader, standvastig in zijn geloof. Hij hoopt dat alle aanwezigen zich Bronder ten voorbeeld zullen stellen. Ten slotte wijst dominee Mol van Zwartewaal op een lichtpuntje: het feit dat de zee deze dode heeft teruggegeven, zodat de omstanders nog in zijn graf kunnen blikken, wat veel nabestaanden van zeelieden niet gegund is. Dan worden op verzoek van één der loodsen twee psalmen gezongen: ‘Gelijk het gras is ons kortstondig leven’ en op verzoek van Datema ‘Wie ver van U de weelde zoekt’, waarna hij met gebed de plechtigheid sluit. Vervolgens keert de stoet terug naar het gemeentehuis om, in de woorden van de verslaggever van De Geuzenbode: ‘een ieder zijn weg te gaan; en – langs den levensweg naar den dood, - zij het – door den dood naar het leven, het eeuwige leven.’

Oorzaak van de ramp; de schuldvraag

Van de doden natuurlijk niets dan goeds, maar toch rijst de vraag: hoe kwam loods Bronder ertoe de ‘Berlin’ bij zo’n hevige storm de haven binnen te willen brengen? De kranten schrijven in de dagen na de ramp over het vakmanschap en de jarenlange ervaring van zowel de kapitein als de loods. De twee zeerotten kòn haast geen blaam treffen, het moest gewoon een noodlottige samenloop van omstandigheden geweest zijn die het schip fataal was geworden. De commissie die onderzoek deed naar de toedracht van de ramp, dacht daar heel anders over. De loods had aan boord slechts een adviserende rol, de kapitein had het laatste woord. Kapitein Precious werd overmoed en slecht zeemanschap verweten. Hij had bij dit noodweer het schip buitengaats moeten houden totdat de storm wat geluwd was. Dat enige voorzichtigheid bij de nadering van de Nieuwe Waterweg niet overdreven geweest zou zijn, blijkt ook uit een bijlage bij het onderzoeksrapport. Dit geeft een overzicht van Britse schepen die in de tien jaar voorafgaand aan het onderzoek in moeilijkheden zijn gekomen bij het binnenlopen van de Nieuwe Waterweg. De lijst beschrijft zevenentwintig incidenten, waarvan al tweemaal eerder met de ‘Berlin’!


Een graf op ‘Maria Rust’

Op begraafplaats ‘Maria Rust’ staat aan het begin van het linkerpad een statige grafsteen als herdenkingsteken voor deze man. De steen werd in de zomer van 1907 geplaatst. Het oprichten van dit grafmonument werd waarschijnlijk mogelijk gemaakt door de vele inzamelingsacties die werden gevoerd ter leniging van de nood van de nabestaanden van de slachtoffers. De Nieuwe Brielse Courant van 6 juni bericht: ‘Een treffende hulde werd hedenmorgen gebracht aan de laatste rustplaats te Rockanje, van den met ‘De Berlin’ zoo jammerlijk om het leven gekomen zeeloods Bronder. Met de stoomboot ‘Vlaardingen VI’ arriveerde uit Vlaardingen een zerken grafsteen, waarin den naam, het beroep en ook de treurige omstandigheden waarop Bronder het leven liet, is ingebijteld. Voorts is op de steen bevestigd, in porselein gephotografeerd, het portret van den overledene, alsmede eenige attributen op het zeemansleven betrekking hebbende. De Vlaardingsche steenhouwer J. de Vries, de ontwerper van dezen fraaien steen, heeft eer van zijn kunstwerk. Een zoon van den overledene was bij de plaatsing van dit droevig gedenkteeken van zijn vader op de begraafplaats te Rockanje tegenwoordig.’

Dat de grafsteen van loods Johannes Bronder nog aanwezig is op zijn graf, is te danken aan mevrouw G. Moree, een inwoonster van Rockanje. In de zestiger jaren heeft zij het graf, dat in vervallen staat verkeerde, op haar kosten laten herstellen. Dankzij haar initiatief is er een monument in Rockanje behouden. Deze grafsteen is immers meer dan een persoonlijk gedenkteken; het vormt ook een aandenken aan een belangrijke historische gebeurtenis. Door vormgeving en ouderdom is het tevens een cultuurhistorisch monument. De Historische Vereniging Westelijk Voorne zet zich in voor het behoud van ‘Maria Rust’ en sinds enkele jaren staat deze begraafplaats op de lijst van Gemeentelijke Monumenten. Een werkgroep van de Historische Vereniging doet onderzoek naar de geschiedenis van de begraafplaats; van dit onderzoek zal over enige tijd een publicatie verschijnen.

 

Dit alles betekent zeker niet dat het graf van Bronder alleen nog maar een historisch document van steen is.
Vandaag de dag heeft het weer de levendige belangstelling van veel nazaten van de loods. Ter gelegenheid van de 100ste verjaardag van de sterfdag van Johannes hielden zij een familiereünie in Rockanje en uiteraard werd daarbij een bezoek gebracht aan het graf van hun voorvader. Een mooi voorbeeld van het feit dat een begraafplaats meer kan zijn dan een laatste rustplaats voor de doden. Als het goed is, is ‘Maria Rust’ ook ook een ontmoetingsplaats voor de levenden…
 

Aandacht voor 100ste verjaardag van de ramp met de ‘Berlin’
Loods Bronder was slechts één van de naar schatting 130 slachtoffers van de ramp. De honderdste verjaardag van de ramp gaat dan ook niet ongemerkt voorbij:

  • Op 21 februari jl. werd door de Gemeente Westland een herdenkingsbijeenkomst georganiseerd op de plaats van de ramp en op begraafplaats Beukenhage in ’s-Gravenzande.

  • Vanaf 5 april a.s. is in het Maritiem Museum te Rotterdam de expositie te zien: ‘Het Berlin Drama - Scheepsramp op de Hoek’.

  • In Reddingsmuseum ‘Jan Lels’ te Hoek van Holland zijn in de vaste opstelling objecten te zien die een relatie hebben met de ondergang van de ‘Berlin’.

  • Museum 'De Duinhuisjes' schonk in 2007 in de wisselvitrine aandacht aan de ramp.

Met dank aan:

De heer Wim Bronder

Mevrouw Thea Kieckens-Bronder

De heer Wouter Heijveld, conservator Maritiem Museum Rotterdam

Mevrouw Nelly de Man-Schipper
 

Bronnen:

  • Streekarchief Voorne-Putten en Rozenburg te Brielle: Overlijdensregisters 1907 Brielle, Oostvoorne, Rockanje

  • Report of Court no 7058 ‘Berlin’ (S.S.), The merchant Shipping Act, 23rd April 1907

  • Bronderberichten, familiekrant voor alle nakomelingen van Johannes Bronder en Cornelia van der Waal,
    8e jaargang nr. 1, januari 2007

  • De Geuzenbode, 34e jaargang nr. 30, 15 maart 1907

  • De Rotterdammer, 25 februari 1907

  • Nieuwe Brielsche Courant, jaargang 1907

  • Rotterdamsch Nieuwsblad, 26 en 28 februari 1907

  • Weekblad of Brielsche Courant voor Voorne, Putten, Overflakke en Goedereede, jaargang 1907

  • Wereldkroniek, 13e jaargang nr. 49, 2 maart 1907

  • Pisuisse, J.L., De schipbreuk van de ‘Berlin’ (Hoek van Holland 1997, heruitgave Reddingsmuseum ‘Jan Lels’)